
Columnist Arian Foppen zag een volwassen man huilen op het station: ‘Ik dacht dat Nederlanders een lief volkje waren’
23 mei 2026 om 17:30 ColumnHARDERWIJK De man naast me begint onbedaarlijk te huilen. Plotseling. Ik schrik op uit mijn eigen gênante gedachten en kijk even naar de tranende man en dan om me heen. Ik ben de enige op het perron, op de man na - die in hoogste eigen persoon - het watertekort aan het bijvullen is. Het heeft altijd iets wonderlijks om een volwassen man te zien huilen. Het lijkt vaak alsof mannen dat niet meer kunnen na hun zestiende, dat de traanbuizen vol komen te zitten met jeugdpuistjes ofzo.
,,U huilt”, zeg ik.
,,Ja”, zegt de man.
,,“Ik zie het”, merk ik op.
,,Sorry.”
,,Is er een reden, of gewoon zomaar?”
,,Mijn vrouw is dood”, de man haalt tussen grienen adem en kijkt mij even aan.
,,Ja, dat is stom.”
,,En ik kan haar niet begraven.”
,,Weet u zeker dat ze dood is dan, want daar kunnen ze nog wel eens moeilijk over doen.”
De man kijkt me aan, wrijft over zijn ogen, slaakt een zucht met diezelfde ogen en traant zijn wangen natter. ,,Zij is nog in Syrië.”
,,Oh.”
,,Zij zou ook komen. Maar de aanvraag duurde te lang, en nu is ze…”.
,,Dood”, straf ik maar de leegte af. Met de punt van mijn schoen trap ik een steentje richting het spoor. Alsof dat steentje er iets aan kan doen dat de mevrouw van deze meneer dood is in Syrië. Was niet eens een bijzonder steentje. Gewoon een grintje. Wittig. Zo een melkachtig steentje waarmee menig Nederlands tuinpad is gestenigd, of hoe zeg je dat? Belegd?
,,Er gloort wel een lichtpuntje aan de horizon, hoor”, zeg ik monter. De meneer kijkt me aan, en heel even glijdt er hoop over zijn waterige ogen; ,,Wat dan?”
,,De mensen in Loosdrecht zullen blij zijn dat ze niet meer deze kant op komt.”
De trein komt knersend tot stilstand, ik sta op en loop richting de ingang van de eerste klas coupe. De man achter me staat op. ,,Ik dacht dat Nederlanders een lief volkje waren.”
In de deuropening draai ik me om, strijk mijn bruine overhemd glad en bekeek de man eens vanuit de ingang naar mijn coupe. ,,Waarom denken mensen dat? Omdat we bijna een miljoen slaven hebben verscheept; een handeltje waar een van de belangrijkste families van dit land nog steeds de vruchten van plukt? Of omdat er vanuit Nederland de meeste Joden zijn weggevoerd in de Tweede Wereldoorlog? Of omdat we de overlevenden van die massadeportatie doodleuk achterstallige belastingen wilden laten betalen? Of omdat we onze homo’s laten trouwen, maar niet hand in hand laten lopen. Omdat we onze vrouwen niet veilig over straat kunnen laten gaan, omdat de Nederlandse man zijn geslacht niet in zijn broek kan houden? Wat maakt ons tot een volkje vrij en blij?”
De deuren sluiten langzaam, de trein komt langzaam op gang en de man versnelt met een noodgang uit mijn blikveld.
Arian Foppen

















