
Columnist Arian Foppen kijkt al rijmend naar de avond voor Kerst: ‘Nodig uit, deel en ga een ander fêteren’
24 december 2025 om 15:30 ColumnHet was de avond voor kerst en de stad vulde zich met sneeuw.
Het wit overdekte de kerk, de markt, het klooster en de ijzeren leeuw.
Een knesperende deken bedekte de Vischmarkt, het Waterfront en Stadsdennen
De Walrussen in het dolfinarium moesten eigenlijk nog het meest wennen,
Niemand was op straat, eenieder zat warm voor zijn houtstook
Niets was namelijk zo huiselijk als die fijne warme, vooral fijne rook.
Op de daken was niets te zien of te horen,
En niemand hoorde dan ook de Puttenaer zijn Wolf aansporen,
De Puttenaer, en dit weet natuurlijk iedereen uiteraard,
Was een vreselijk wezen die iedereen de dood in staart,
Samen met zijn Wolf komt hij tevoorschijn zo voor de kerst
Wanneer de sneeuw het verst is, en het nog lekker knerst.
Maar wat wil dit vreselijke schepsel dan, toe vertel nou vlug.
Wat hij wil, de Puttenaer, is het kerstfeest terug.
Want de oude Harderwiekers wilde het niet delen
En begonnen de bomen en ballen van Putten te stelen.
Nu pronkt er een prachtige schaatsbaan en boom op de markt
En de Puttenaer, die ziet maar hoe hij zijn feest bij elkaar harkt
De Puttenaer, bloeddoorlopen ogen, riekend naar rottend graan
Sleepte een grote zak achter zich aan
richting die schitterende schaatsbaan.
Daar aangekomen begon –ie bezeten de stekkers los te rukken
Alle lampen gingen uit, het ijs smolt in stukken
Toen pakte het vreselijke wezen zijn grote zak
En ik weet niet hoe, maar dat is het waar hij het hele zooitje in stak.
De wolf huilde een snerende lach naar de klok op het stadhuis
De wijzers waren een stille getuigen van dit hele geruis
De Puttenaer nam plaats op zijn wolf en ze renden onbeschut
Terug naar dat oerlelijke Put-
Maar wacht! Wie stond daar plots voor de Puttenaer?
Het was een Harderwijker Paling-Tsaar,
Zijn armen uitgespreid, grote gebaren maakte,
Die zorgde dat het duo de vlucht staakte
Oog en oog stond deze stoere Harderwieker
Met deze Puttense onwelrieker
De wolf ontblote zijn geel gebit
De Harderwijker deed hetzelfde, maar dan in het wit
“Halt, waar ga je heen met onze kerst”, riep de man op harde toon
“Wat denk je”, lispelde de Puttenaer, “terug naar waar ik woon
Om het feest te vieren zoals wij dat ook willen,
Om de honger naar kerst bij ons volk te stillen.”
De Harderwieker, slim, sluw, maar vol medeleven,
Zweeg een tiental seconden even
Hij zag alle moeite van de Puttenaer
En maakte een kerstwaardig gebaar
“Waarom”, de man sprak langzaam voor de Puttenaer
En gebruikte kleine woorden voor de simpelaar,
“vieren jullie niet samen met ons, hier in de stad?
Want alleen is maar alleen, en wij hebben meer dan zat”
Tranen liepen over de vuile wangen van het wezen
En ook bij de wolf stonden de tranen in de woeste ogen te lezen
“Meent u dit, werkelijk? Meent u werkelijk dat?”
De Puttenaer stond niet bekend om zijn enorme woordenschat
En zo komt het, althans zo gaat de legende,
Dat met kerst elke vreemde veranderd in een bekende,
En dat in dit prachtige stadje aan die oude zee van het zuiden
De kerkklokken voor werkelijk iedereen luiden
De moraal van het verhaal? Als je veel hebt te spenderen
Nodig uit, deel en ga een ander fêteren
Niet een hoger hek bouwen, maar een langere tafel
In de ogen van de ánder kijken,
in plaats van naar je eigen navel
Arian Foppen












