Everard en Aartje Mulder-Polhoud met naast hen de fotolijst met Aartje's jonggestorven broers.
Everard en Aartje Mulder-Polhoud met naast hen de fotolijst met Aartje's jonggestorven broers. Martin Vesseur

Aartje Mulder-Polhoud verloor drie broers bij razzia Putten: ‘Mijn moeder zei dat ze nooit meer heeft gelachen’

21 september 2024 om 14:00 Mensen

PUTTEN In een boek uit 1948 staan ze afgebeeld: Jan, Gerrit en Peter, de broers van Aartje, slachtoffers van de Puttense razzia in 1944. Op haar 92ste wil ze haar herinneringen delen voor jongere generaties, hoe moeilijk ze het ook vindt.

Het echtpaar Aartje en Everard Mulder-Polhoud vierde recent hun 69-jarig huwelijksfeest. Wat niet wil zeggen dat ze er licht over denken. „Aartje is nu 92 en ik word het binnenkort”, zegt Everard, „maar onze gezondheid laat niet toe dat we naar de herdenking van de razzia gaan, ook niet nu de koning komt.” Daarom vertellen ze thuis over hun herinneringen aan die tijd. Moeilijke herinneringen. 

OP ZOLDER

In oktober 1944 telde het gezin Polhoud twaalf kinderen, waarvan Aartje met haar twaalf jaar één van de jongsten was. Oudste broer Teunis was al overleden aan tuberculose. Vader had een schoenmakerij. Toen na de aanslag op een Duitse officier alle mannen en jongens in Putten werden opgeroepen zich te melden in het centrum, verschuilden Aartjes drie broers zich op de zolder van het huis aan de Oude Kerkstraat. „Op zolder was een wandje geplaatst met een bed ervoor. Daar verschuilden zij zich achter. Dat gebeurde regelmatig in de oorlog”, vertelt Aartje. „Maar toen zei een mevrouw tegen mijn vader: ‘Als de Duitsers ze vinden, schieten ze ze dood’ en toen werd vader bang en heeft flink lopen tobben. Een andere vrouw zei: ‘Mijn jongens gaan ook.’ Toen besloten de drie jongens zelf om te gaan en zich in de kerk bij de Duitsers te melden.”

KLAP OP KLAP

De familie Polhoud krijgt, zoals vele Puttense gezinnen, klap op klap te verwerken in die dagen. De dag na de razzia vertrekken de meer dan zeshonderd mannen en jongens naar Duitsland, vervolgens steken de Duitsers vele woningen in brand. „In onze straat was een zieke vrouw en omdat ze bang waren besmet te worden sloegen ze ons over”, vertelt Aartje. Toch verliet het gezin het dorp om te overnachten bij kennissen in Ermelo. Bij terugkeer begon het wachten op berichten over de drie broers.

Op 2 oktober 1944 transporteerden de Duitsers 659 mannen per trein naar Kamp Amersfoort, waar 58 van hen om gezondheidsredenen werden vrijgelaten. De overige 601 mannen gingen op 11 oktober op transport naar concentratiekamp Neuengamme. Dertien mannen sprongen uit de trein. Vervolgens gingen mannen vanuit Neuengamme op transport naar buitenlocaties van dit kamp, waaronder Ladelund. Slechts 48 van hen keerden terug, waarvan er nog vijf overleden als gevolg van de ontberingen. De meeste slachtoffers vielen door ondervoeding, ziekte of dwangarbeid in de kampen.

,, Het gat dat de drie broers achterlieten is nooit gevuld

VERGISSING

Pas na de bevrijding kwam duidelijkheid. Vanuit Ladelund, waar een pastor nauwkeurig namen van slachtoffers had bijgehouden, en via terugkerende Puttenaren. Gerrit was gestorven in november 1944, Jan in december, beiden in Ladelund. Zo mogelijk nog pijnlijker bleek het verhaal van jongste broer Peter. Everard: „Vanuit het kamp Neuengamme ging Peter op transport over water. Dat was in mei 1945. Dat transport is door geallieerde vliegtuigen bij vergissing aangezien voor een troepentransport en aangevallen in de baai van Lübeck. Dat heeft Peter niet overleefd.” Extra wrang als je bedenkt dat sommige anderen zich zwemmend in veiligheid hebben weten te brengen. „Peter kon goed zwemmen”, zegt Aartje, dus mogelijk is hij door geweervuur geraakt of in het vuur omgekomen.

Everard vertelt tussendoor over zijn eigen ervaringen in de oorlog. „Een van mijn broers zat op honderd kilometer boven Berlijn in een bakkerij van de Duitse marine. Moet je je voorstellen: twee jaar lang!” Dat zijn familie op een boerderij woonde, heeft wel gescheeld. „Er was natuurlijk eten van het land. En nadat de Duitsers honderd huizen in Putten in brand hadden gestoken vonden er mensen daarom bij ons onderdak.” In de jaren zestig gingen Everard en Aartje een paar keer naar Ladelund. „De eerste keer kon je nog de wallen zien waaraan de kampbewoners hadden gewerkt”, zegt hij. „Heel triest, Ladelund ligt heel noordelijk en dat is in oktober grauw en modderig.”

BEZOEK UIT LADELUND

Na de oorlog is er veel contact geweest met inwoners van Ladelund. Everard: „Na de verzoening kwam pastor Richter naar Nederland om hier veel te praten met mensen.” Aartje: „Mijn vader stond in de deur en deed zijn armen zo wijd als hij kon en zei: ‘Kom erin.’ Zo ging dat. Ik herinner me ook dat er een man terugkeerde in onze straat en dat moeder er meteen op af stapte. Om steun te bieden en om te vragen wat hij wist van Jan, Gerrit en Peter.” Verzoening en monumenten deden veel goeds, maar het gat dat de drie broers achterlieten is nooit gevuld. „Het gaat nooit over. Ik blijf het moeilijk vinden, ga ook liever niet naar herdenkingen”, zegt Aartje. „Mijn moeder zei later dat ze nooit meer heeft gelachen en ik denk dat dat waar is.” Die zwaarte drukte natuurlijk op de jonge kinderen in het gezin. Zelf heeft Aartje later gelukkig wel kunnen lachen in haar lange leven. Op een foto op tafel is zij met haar zeven zussen en schoonzus te zien, allemaal gelukkige gezichten. Aartje is als enige overgebleven. „Wij hebben een mooi leven gehad en zijn nog altijd gelukkig met elkaar”, besluit Everard. Zo willen ze dan ook het liefst op de foto.

Mail de redactie
Meld een correctie

Martin Vesseur
Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie