Gerard met de motorfiets uit 1950 en de bromfiets model 'Junior'.
Gerard met de motorfiets uit 1950 en de bromfiets model 'Junior'. John Beringen

Motorhistorie uit Driebergen

,,Iemand zal toch wel ooit een foto gemaakt hebben?"

4 augustus 2021 om 06:16

Gerard de Bruin was altijd al geïnteresseerd in klassieke auto’s en oldtimers. Op zeker moment zou hij motorfietsen en bromfietsen gaan verzamelen van het merk DMF. Hij vertelt hoe hij daartoe kwam en waar de drie letters voor staan.

,,Het begon ongeveer twaalf jaar geleden”, laat hij weten. ,,Tijdens de Open Monumentendag zag ik bij de brandweergarage een paar oude motorfietsen van het merk DMF staan. De eigenaar liet weten dat de afkorting voor Driebergse Motorrijwielen Fabriek stond. Dat verbaasde mij in hoge mate. Als geboren en getogen Driebergenaar had ik er nog nooit van gehoord.” 

Hij ging op onderzoek uit en haalde de volgende informatie boven water: ,,Het bedrijf werd in 1940 opgericht door de heren Joop Verkerke en Wim Nolthenius die voor de oorlog beiden naam hadden gemaakt als motorcoureur in terreinraces. Verkerke, die voorheen een motorzaak runde op de Catharijnensingel in Utrecht, had in deze onderneming de technische leiding; Nolthenius nam de commerciële zijde onder zijn hoede. De D.M.F. zou bestaan tot 1956. In dat jaar ging het bedrijf failliet; onder meer door de groeiende concurrentie van de steeds populairder wordende bromfiets terwijl het motorrijden minder werd."

Inmiddels was Gerard ook aan de weet gekomen waar de fabriek had gestaan: op de plaats waar zich nu het parkeerterrein bevindt naast de Albert Heijn op de Hoofdstraat. Naar verluidt, heeft de verlaten constructiehal daar nog vele jaren gestaan totdat deze werd gesloopt aan het einde van de jaren ’70 van de vorige eeuw. 

Ook bleek dat je niet echt over een fabriek kon spreken. De Bruin: ,,De D.M.F. was in feite een constructiebedrijf. Het vervaardigde uitsluitend het rijwielgedeelte van de motorfietsen en bromfietsen. Eigen motorblokken werden er niet gefabriceerd. Die betrokken ze van Villiers, J.LO. Zündapp en Puch. En dat was om verschillende redenen een heel praktische aanpak. Ten eerste scheelde dat een complete machinestraat en een ander punt is dat je zo gebruik kan maken van krachtbronnen die hun kwaliteit hebben bewezen. Als je zelf motoren zou fabriceren, krijg je te maken met testen, verbeteren, opnieuw testen… allemaal factoren die de uiteindelijke winkelprijs flink zouden opdrijven." 

Doordat hij gefascineerd was geraakt door het bedrijf dat ooit in zijn geboortedorp had gestaan, ging hij op zoek naar de tweewielers van dit merk, Na veel oproepen op tweedehands verkoopsites en de nodige posten op diverse fora wist hij uiteindelijk de hand te leggen op zeven exemplaren. Vier motorfietsen: een twin van 250 cc en drie één-cilinders met respectievelijk een inhoud van 125, 150 en 175 cc; allen voorzien van een J.L.O.motor. Daarnaast wist hij drie bromfietsen te bemachtigen; twee van het type 'Nestor' (één met een Zündapp-blok en één met een J.L.O.motor) en één van het type 'Junior' met een Zündapp-blok. 

De Bruin laat weten dat de conditie van de aanwinsten sterk varieerde. ,,Het ene model was nog in redelijke staat, maar er zitten ook tweewielers bij die ze ook wel een 'opknapper' noemen wat in feite inhoudt dat er een totale restauratie uitgevoerd dient te worden." 

Hij zegt het lachend, maar voegt er aan toe dat restaureren weliswaar veel werk is, waar hij overigens zijn hand niet voor omdraait, maar dat het een lastige kwestie is om onderdelen te vinden. ,,Veel onderdelen kun je zelf maken", laat hij weten. ,,Een versleten as bijvoorbeeld kan ik opnieuw op de draaibank maken en als ik een doorgeroeste plek zie op een spatbord, kan ik dat met MIG-lassen weer fatsoeneren; dat lukt zelfs heel goed bij dun plaatwerk. Maar probeer maar eens een geëmailleerd merkschildje te vinden dat op de benzinetank hoort te zitten. Aan de andere kant hoort dat zoeken ook bij de hobby en iedere keer als je weer wat op de kop tikt, ook al is het maar iets heel kleins, dan voel je je weer de koning te rijk. Maar je wil natuurlijk af en toe wel wat scoren en niet constant je neus stoten, hè?" 

Gerard de Bruin wijst op twee exemplaren die hij voor de deur van zijn werkplaats heeft gezet. Het ene model is een motorfiets van 150 cc uit ongeveer 1950 en het andere voertuig betreft een bromfiets van het type 'Junior' uit 1956. ,,Waarschijnlijk is dat één van de laatste modellen die nog door de D.M.F. is gemaakt", merkt hij op. Hij denkt even na en geeft aan een oproep te willen doen. ,,Mocht iemand toevallig ergens in een schuurtje nog wat onduidelijke onderdelen hebben liggen, dan zou ik graag met die persoon in contact willen komen. Ook ben ik geïnteresseerd in documentatie en instructieboekjes. Maar ik wil nog iets anders opmerken. In de hoogtijdagen hebben er ruim honderd mensen gewerkt bij de D.M.F. Zijn er nog nabestaanden die mogelijk ergens foto's in een album hebben zitten die te maken hebben met het bedrijf? En dan die verlaten constructiehal die nog zo'n twintig jaar op het terrein heeft gestaan... iemand zal daar toch wel ooit een foto van hebben gemaakt? Ik hou me aanbevolen als iemand toevallig iets heeft."

Hij start de Junior-bromfiets die knetterend aanslaat. ,,Hij loopt perfect; een prima motortje", luidt zijn begeleidende commentaar. Hij moet wat harder praten omdat de demper van de uitlaat niet helemaal in orde is. ,,Maar dat is geen punt, want dat is heel makkelijk te repareren", zegt hij terwijl hij de motor weer uit zet en de stilte terugkeert.

Close-up van de motorfiets.